Module 6 van het EASA Part-66-syllabus biedt de fundamentele kennis van de materialen en hardware die worden gebruikt bij de constructie en het onderhoud van vliegtuigen. Deze module is essentieel voor gecertificeerd personeel, omdat deze de eigenschappen, het gedrag en de correcte omgang met metalen, niet-metalen, bevestigingsmiddelen en vloeistofsystemen behandelt. De inhoud is gestructureerd om op te bouwen van basis materiaalkunde (niveau 1) tot gedetailleerde inspectie- en reparatiecriteria (niveau 3). De module is onderverdeeld in kerngebieden: materiaaleigenschappen, corrosie, vliegtuighardware, niet-destructief onderzoek en vloeistofleidingen.
Dit studiemateriaal bundelt de kernkennis die vereist is voor de B1.2-licentiecategorie (zuigermotorvliegtuigen), met de nadruk op de praktische toepassing van deze principes in een onderhoudsomgeving.
2. Kernconcepten in Detail Uitgelegd
2.1 Materiaaleigenschappen en -identificatie
Het begrijpen van de fundamentele eigenschappen van materialen is van cruciaal belang voor het selecteren van het juiste materiaal voor een reparatie en voor het identificeren van mogelijke faalwijzen.
Vervormbaarheid (ductiliteit): Het vermogen van een materiaal om plastisch te vervormen onder trekspanning zonder te breken. Dit is een cruciale eigenschap voor materialen die worden gevormd, zoals klinknagels, en voor constructies die energie moeten absorberen zonder plotseling falen.
Smeedbaarheid (malleabiliteit): Het vermogen van een materiaal om plastisch te vervormen onder drukspanning (bijv. hameren of walsen).
Elasticiteit: Het vermogen van een materiaal om terug te keren naar zijn oorspronkelijke vorm nadat een belasting is verwijderd. De elasticiteitsgrens is het punt waarna blijvende vervorming optreedt.
Taaiheid: Het vermogen van een materiaal om energie te absorberen en plastisch te vervormen voordat het breekt. Het is een maat voor de weerstand van een materiaal tegen breuk onder impact.
Hardheid: De weerstand van een materiaal tegen indeuking, krassen of slijtage. Het wordt vaak gerelateerd aan slijtvastheid en treksterkte.
Sterkte: Het vermogen van een materiaal om een uitgeoefende belasting te weerstaan zonder falen. Dit kan verder worden gedefinieerd als:
Treksterkte: De maximale spanning die een materiaal kan weerstaan terwijl het wordt uitgerekt of getrokken voordat insnoering of breuk optreedt.
Druksterkte: Het vermogen van een materiaal om belastingen te weerstaan die de afmeting neigen te verkleinen.
Afschuifsterkte: De maximale spanning die een materiaal kan weerstaan voordat het faalt in een richting evenwijdig aan de uitgeoefende belasting.
Ferrometalen vs. Non-ferrometalen:
Ferrometalen: Bevatten ijzer als hoofdbestanddeel. Voorbeelden zijn koolstofstaal, roestvast staal en gietijzer. Ze zijn over het algemeen magnetisch en gevoelig voor corrosie (roestvorming).
Non-ferrometalen: Bevatten geen significante hoeveelheden ijzer. Voorbeelden zijn aluminium, titanium, magnesium, koper en hun legeringen. Ze zijn over het algemeen beter bestand tegen corrosie dan ferrometalen.
Belangrijke vliegtuigmetalen:- Aluminiumlegeringen: Het meest gebruikte constructiemateriaal voor vliegtuigen. Zuiver aluminium is zacht en zwak; het wordt gelegeerd met elementen zoals koper, magnesium, mangaan en zink om de sterkte te verhogen. De warmtebehandelbare legeringen (bijv. 2024, 7075) worden gebruikt voor structurele toepassingen.
2024-T3: Hoge sterkte-gewichtsverhouding, goede vermoeiingsweerstand. Wordt gebruikt voor vleugelhuiden, rompconstructies.
7075-T6: Hogere sterkte dan 2024 maar lagere breuktaaiheid. Wordt gebruikt voor zwaar belaste bevestigingsdelen.
2117-T4: Voornamelijk gebruikt voor klinknagels vanwege de goede vervormbaarheid in de T4-conditie.
Titaniumlegeringen: Bieden een uitstekende sterkte-gewichtsverhouding en superieure corrosiebestendigheid, vooral bij verhoogde temperaturen. Ze worden gebruikt in kritieke structurele componenten, motoronderdelen en bevestigingsmiddelen. Ze zijn duur en moeilijk te bewerken.
Magnesiumlegeringen: Het lichtste constructiemetaal. Zeer gevoelig voor corrosie, vooral galvanische corrosie. Wordt gebruikt in niet-structurele toepassingen zoals versnellingsbakhuizen.
Staalsoorten: Worden gebruikt voor zwaar belaste onderdelen, motorcomponenten en landingsgestel.
Laag-koolstofstaal: Wordt gebruikt voor algemeen beslag.
Hoogsterkte laaggelegeerd (HSLA) staal: Wordt gebruikt voor structurele componenten.
Nikkel-chroomlegeringen (bijv. Inconel): Behoudt sterkte en weerstaat oxidatie bij hoge temperaturen, waardoor ze ideaal zijn voor uitlaatspruitstukken en turbinecomponenten.
Brons: Een legering van koper en tin. Het heeft uitstekende lagereigenschappen, lage wrijving en goede slijtvastheid, waardoor het geschikt is voor tandwielen en bussen die tegen stalen assen lopen.
Warmtebehandeling van aluminiumlegeringen:
Warmtebehandelbare aluminiumlegeringen worden versterkt door een oplossingswarmtebehandeling en verouderingsproces.
Oplossingswarmtebehandeling: De legering wordt verwarmd tot een specifieke temperatuur om legeringselementen in een vaste oplossing op te lossen, en vervolgens snel afgeschrikt (bijv. in water) om ze in een oververzadigde toestand vast te houden.
Natuurlijke veroudering (T4): De legering wordt op kamertemperatuur gelaten om gedurende enkele dagen te verharden door precipitatie. 2024-T4 wordt op deze manier bereikt.
Kunstmatige veroudering (T6): De legering wordt verwarmd tot een gematigde temperatuur om het precipitatieproces te versnellen, wat een hogere sterkteconditie oplevert (bijv. 7075-T6).
Klinknagels: 2117-T4-klinknagels worden in de T4-conditie geslagen terwijl ze nog zacht zijn. Ze verouderen na verloop van tijd natuurlijk, dus ze moeten binnen een specifieke periode na het afschrikken worden geslagen om een goede sluitkop te vormen.
Markeringen op bevestigingsmiddelen:
ISO-metrische bouten: Gemarkeerd met een sterkteklasse, bijv. "8.8". Het eerste cijfer (8) geeft de uiterste treksterkte aan in honderden MPa (800 MPa). Het tweede cijfer (0.8) is de verhouding van vloeigrens tot treksterkte (0.8), wat een vloeigrens van 640 MPa oplevert.
2.2 Corrosie
Corrosie is de aantasting van een materiaal, meestal een metaal, door een chemische of elektrochemische reactie met zijn omgeving. Het is een primaire zorg bij vliegtuigonderhoud.
Soorten corrosie:- Oppervlakte-/gelijkmatige corrosie: Komt gelijkmatig voor over een groot blootgesteld oppervlak. Op aluminium verschijnt het als een witte, poederachtige aanslag. Op staal is het de bekende roodbruine roest. De primaire handeling is het mechanisch verwijderen van de corrosie en het beoordelen van de diepte van de aantasting om te bepalen of het onderdeel binnen de toegestane limieten valt.
Putcorrosie: Zeer plaatselijke aantasting die kleine putjes of gaatjes op het oppervlak creëert. Het komt veel voor bij aluminium propellers en huidplaten. De diepte van de putjes moet worden gemeten en vergeleken met de toegestane limieten in het onderhoudshandboek. Diepe putjes kunnen uitvlakken of vervanging vereisen.
Spleetcorrosie: Komt voor in afgeschermde gebieden (spleten) waar vocht en zuurstof worden vastgehouden, zoals onder losse pakkingen, slangklemmen of overlapverbindingen. Er ontstaat een zuurstofconcentratiecel, wat leidt tot plaatselijke aantasting. Roestvast staal is bijzonder gevoelig in zuurstofarme, chloride-rijke omgevingen.
Galvanische corrosie: Komt voor wanneer twee ongelijksoortige metalen in elektrisch contact staan in aanwezigheid van een elektrolyt. Het meer anodische metaal corrodeert bij voorkeur. Dit is een groot aandachtspunt bij het bevestigen van ongelijksoortige metalen (bijv. stalen bevestigingsmiddelen in aluminium- of magnesiumconstructies). Preventie omvat het isoleren van de metalen met niet-geleidende ringen of coatings.
Interkristallijne corrosie: Aantasting langs de korrelgrenzen van een metaal. Het kan voorkomen in aluminiumlegeringen als ze onjuist zijn warmtebehandeld of in roestvast staal als ze gesensibiliseerd zijn (verhit tot een specifiek temperatuurbereik). Het is moeilijk visueel te detecteren en kan een constructie ernstig verzwakken.
Spanningscorrosie (SCC): Komt voor wanneer een metaal onder trekspanning staat in een corrosieve omgeving. De combinatie van spanning en corrosie leidt tot scheurvorming.
Filiforme corrosie: Komt voor onder een geverfd of gecoat oppervlak en verschijnt als een netwerk van fijne "wormen" of draden. Het is een vorm van spleetcorrosie.
Corrosiepreventie en -bestrijding:
Beschermende coatings: Het primaire doel van verf en andere coatings is het fungeren als barrière tegen vocht en verontreinigingen, waardoor corrosie wordt voorkomen.
Anodiseren: Een elektrochemisch proces dat een dikke, harde, corrosiebestendige oxidelaag op aluminiumlegeringen produceert. Het biedt ook een uitstekende basis voor verf. Het verhoogt de treksterkte niet significant.
Cadmiumplating: Een opofferingslaag aangebracht op stalen bevestigingsmiddelen en componenten. Het biedt corrosiebescherming en vermindert wrijving. Kritieke opmerking: Cadmium smelt bij ongeveer 321°C. In gebieden met hoge temperaturen (bijv. uitlaatpijpen) kan het smelten en in het staal diffunderen, wat vloeibaar-metaalbrosheid (LME) veroorzaakt. Cadmiumgeplateerde bevestigingsmiddelen mogen niet op deze locaties worden gebruikt.
Corrosieremmende verbindingen (CIC's): Aangebracht op interne constructies (bijv. vleugelinterieurs) om in spleten en contactvlakken door te dringen. Ze worden vaak aangebracht door hogedrukspuiten of verneveling om volledige dekking te garanderen. Veiligheid: Deze verbindingen bevatten oplosmiddelen; adequate ademhalingsbescherming en ventilatie zijn verplicht tijdens het aanbrengen.
Materiaalkeuze en isolatie: Het gebruik van compatibele materialen en het isoleren van ongelijksoortige metalen met niet-geleidende ringen of coatings om galvanische corrosie te voorkomen.
Corrosieverwijdering:De algemene procedure voor het verwijderen van corrosie is:
59.Verwijder de corrosieproducten mechanisch met behulp van geschikte schuurmiddelen (bijv. aluminiumwol, schuurpads).
60.Beoordeel de diepte van de resterende schade.
61.Als de schade binnen de toegestane limieten valt (volgens SRM/AMM), meng het gebied dan vloeiend uit en breng de beschermende afwerking opnieuw aan.
62.Als de schade de toegestane limieten overschrijdt, moet het onderdeel worden gerepareerd of vervangen volgens goedgekeurde gegevens.
2.3 Vliegtuigbeslag: Bevestigingsmiddelen
Bevestigingsmiddelen voor vliegtuigen zijn kritieke componenten die correct moeten worden geselecteerd, geïnstalleerd en met borgdraad moeten worden geborgd.
Schroefdraadvormen:
Unified National (UN): De standaard schroefdraadvorm voor de meeste vliegtuigbevestigingsmiddelen. Dit omvat de Unified National Fine (UNF) en Unified National Coarse (UNC) series.
Metrisch (ISO): Steeds gebruikelijker bij nieuwere vliegtuigen.
Acme, Buttress, Square: Wordt gebruikt voor speciale toepassingen zoals vijzels of krachtoverbrenging.
Bouten, schroeven en tapeinden:
Bouten: Wordt gebruikt in constructieve toepassingen. Ze worden geïdentificeerd aan de hand van het materiaal, de kopmarkering en de greeplengte.
Nauwkeurigheidspassingsbouten (bijv. Klasse 5 passing): Hebben een schacht die bijna exact in het gat past. Ze worden gebruikt in toepassingen die een nauwkeurige uitlijning vereisen en waar schuifbelastingen aanzienlijk zijn.
Standaard bouten (bijv. Klasse 3 passing): Hebben een lossere passing (meer speling) en worden gebruikt voor algemene toepassingen.
Schuifpennen: Ontworpen om alleen schuifbelastingen op te nemen. Ze worden vaak gebruikt in toepassingen waar een voorspelbaar falen vereist is.
Schroeven: Vergelijkbaar met bouten, maar worden over het algemeen gebruikt voor niet-constructieve toepassingen of waar de schroefdraad direct in een component grijpt (bijv. een gietstuk).
Tapeinden: Aan beide uiteinden van schroefdraad voorzien. Het ene uiteinde wordt in een component geschroefd (bijv. een motorcarter), en op het andere uiteinde wordt een moer gebruikt.
Moeren:
Zelfborgende moeren: Gebruiken een niet-metalen inzetstuk (bijv. nylon) of een elliptische vervorming van de schroefdraad om wrijving te creëren, waardoor loskomen zonder extra borging wordt voorkomen.
Heersend aanhaalmoment: Het koppel dat nodig is om de moer zonder belasting op een schroefdraad te draaien. Dit moet binnen gespecificeerde limieten liggen om ervoor te zorgen dat de borgfunctie effectief is. Een moer die is gevallen, kan beschadigd zijn en moet worden vervangen.
Installatie: Er worden geen ringen onder zelfborgende moeren geplaatst, tenzij dit specifiek wordt voorgeschreven in de AMM/IPC, omdat dit de greeplengte en voorspanning kan veranderen.
Kroonmoeren: Hebben sleuven in de bovenkant om een splitpen voor de borging op te nemen. Ze worden gebruikt met bouten die een gat door de schacht hebben geboord.
Ringen:
Platte ringen: Verdelen de belasting onder een moer of boutkop en voorkomen schade aan het oppervlak.
Borgringen: Ontworpen om te voorkomen dat de moer draait en loskomt onder trillingen door een veerwerking te creëren of in de oppervlakken te bijten. Ze verhogen de boutsterkte niet en zorgen niet voor afdichting.
Klinknagels:- Massieve klinknagels: Het meest voorkomende type permanente bevestiging in vliegtuigconstructies. Ze worden geïnstalleerd met behulp van een klinkhamer op de gefabriceerde kop en een tegenhouder op de staart om de sluitkop te vormen door de schacht te vervormen.
Klinknagellengte: Voor een klinknagel met universele kop moet de lengte van de klinknagel die boven het materiaal uitsteekt 1,5 keer de klinknageldiameter zijn om een correcte sluitkop te vormen.
Installatietechniek: Gebruik lagere luchtdruk en gecontroleerd hameren om een gelijkmatige sluitkop te vormen zonder het omringende materiaal te vervormen.
Uitboren: Gebruik een HSS-boorder met een diepteaanslag om te voorkomen dat het gat wordt vergroot.
Blindklinknagels: Worden gebruikt waar toegang tot de achterzijde niet mogelijk is.
Cherrymax (of vergelijkbaar): Hebben een mechanische vergrendeling tussen de trekdraad en de kop, wat zorgt voor hoge sterkte en vermoeiingsweerstand, waardoor ze geschikt zijn voor structurele reparaties.
Hi-Lok-bevestigingen: Een tweedelige bevestiging bestaande uit een pen en een schroefdraadkraag. De kraag wordt met een momentsleutel aangedraaid terwijl de pen met een zeskantbus wordt vastgehouden, wat zorgt voor een consistente voorspanning. Ze worden vanaf één zijde geïnstalleerd.
Zekeren:
Splitpennen: Een zekering die door een gat in de bout en moer wordt gestoken om te voorkomen dat de moer draait en losraakt door trillingen. Ze zijn wegwerpartikelen en moeten worden vervangen en correct worden omgebogen om de moer te zekeren.
Zekerdraad: Wordt door gaten in bevestigingen geregen om losdraaien te voorkomen.
Spanners: Worden gebruikt om kabelspanning aan te passen. Na het afstellen moeten de schroefdraadeinden zichtbaar zijn door het inspectiegat om voldoende aangrijping te garanderen, en de huls wordt met zekerdraad gezekerd.
Aanhaalmoment:
Een momentsleutel brengt een nauwkeurig aanhaalmoment over op een bevestiging om de juiste klemkracht (spanning) te bereiken zonder de bevestiging of de samenstelling te overbelasten. Als een bout draait zonder dat het aanhaalmoment toeneemt, zijn de schroefdraden waarschijnlijk gestript of beschadigd. De bout moet worden verwijderd en de binnenschroefdraad moet worden geïnspecteerd; als deze gestript is, kan een draadinzet (bijv. Heli-Coil) nodig zijn volgens de AMM.
2.4 Vliegtuigonderdelen: Vloeistofleidingen, slangen en afdichtingen
Rigide vloeistofleidingen (buizen):
Materialen: Aluminiumlegering, roestvast staal en titanium.
Buigen: De minimale buigradius voor aluminium buizen is doorgaans 3 keer de buisdiameter. Voor een buis met een buitendiameter van 1/4 inch is de minimale buigradius 3/4 inch. Het overschrijden van de minimale buigradius legt overmatige spanning op de buis en kan knikken veroorzaken.
Fittingen: Fittingen met opgezette rand (bijv. AN-fittingen) gebruiken een B-moer en een opgezet buisuiteinde. Een lekkende B-moer duidt op een beschadigde of vervormde opzetrand of ring. De juiste reparatie is het vervangen van de afdichtring (of het opnieuw opzetten van de buis indien toegestaan) en het opnieuw aandraaien van de B-moer tot de gespecificeerde waarde. Overmatig aandraaien kan de opzetrand beschadigen. Schroefdraadafdichtmiddel wordt niet gebruikt op fittingen met opgezette rand.
Flexibele slangen:- Constructie: Bestaan doorgaans uit een binnenbuis, een versterkingslaag (bijv. textiel- of draadvlechtwerk) en een buitenmantel.
Inspectie: Haarvorming, scheurvorming of schuring van de buitenmantel duidt op degradatie. Een geschuurde buitenvlecht met gebroken draden tast de drukbestendigheid aan en de slang moet worden vervangen. Tape aanbrengen is geen goedgekeurde reparatie.
Levensduur: Slangen met een brandwerende buitenmantel die tekenen van haarvorming of scheurvorming vertonen, moeten onmiddellijk worden vervangen.
Installatie: De slanglengte moet overeenkomen met de instructies van de fabrikant, rekening houdend met de leidingroute, buigradius en beweging. Overmatige speling kan schuring veroorzaken en spanning kan leiden tot defecten.
Minimale buigradius: De voornaamste reden om de minimale buigradius te respecteren is het beschermen van de integriteit van de slang-naar-fitting-verbinding. Overschrijding hiervan legt overmatige spanning op de eindfittingen, wat kan leiden tot vermoeiing van de fitting, scheurvorming en uiteindelijk lekkage of defect.
Gekrompen fittingen: Deze worden door de fabrikant permanent bevestigd. Het opnieuw krimpen van een nieuwe fitting op een gebruikte slang is niet toegestaan. Als een gekrompen fitting lekt, moet de slangassemblage worden vervangen.
Afdichtingen:
O-ringen: Gebruikt voor statische afdichtingen of beperkte dynamische toepassingen.
U-cup afdichtingen: Ontworpen voor dynamische afdichtingstoepassingen, zoals een heen en weer bewegende zuigerstang, met lage wrijving en effectieve afdichting.
Pakkingen: Gebruikt voor statische verbindingen tussen vlakke oppervlakken.
2.5 Niet-destructief onderzoek (NDO)
NDO-methoden worden gebruikt om componenten te inspecteren zonder schade te veroorzaken.
Vloeistofindringonderzoek (DPI): Gebruikt om oppervlaktescheuren te detecteren in niet-poreuze materialen (ferro en non-ferro).
Procedure: Oppervlak reinigen -> Penetrant aanbrengen -> Inwerktijd aanhouden -> Overtollige penetrant verwijderen (afvegen met een schone doek of water gebruiken voor waterafwasbare penetrant) -> Het oppervlak volledig laten drogen -> Ontwikkelaar aanbrengen om penetrant uit defecten te trekken. Het aanbrengen van ontwikkelaar op een nat oppervlak verdunt de penetrant en vermindert de gevoeligheid.
Magnetisch poederonderzoek (MPI): Gebruikt om oppervlakte- en nabij-oppervlaktescheuren te detecteren in ferromagnetische materialen (bijv. staal). Het is de voorkeursmethode voor het inspecteren van stalen bouten en lassen.
Ultrasoon onderzoek (UT): Gebruikt om interne defecten te detecteren en materiaaldikte te meten.
Wervelstroomonderzoek (ET): Gebruikt om oppervlakte- en nabij-oppervlaktescheuren te detecteren in geleidende materialen, waaronder aluminium.
Röntgenonderzoek (radiografie): Gebruikt om interne defecten te detecteren.
2.6 Niet-metalen materialen
Acryl (plexiglas): Gebruikt voor ramen en luifels. Gevoelig voor haarvorming (microscheuren) bij blootstelling aan oplosmiddelen, brandstoffen of onjuiste reinigingschemicaliën. Dit kan optreden rond bevestigingsgaten waar spanning geconcentreerd is.
Composietmaterialen (bijv. honingraat): Bestaan uit een kern (bijv. honingraat) die is verlijmd met deksheets.
Loslating (disbond): Het verlies van hechting tussen de kern en het deksheet.
Delaminatie: Treedt op binnen een laminaat (scheiding van lagen).
Corrosieremmende verbindingen (CIC's): Aangebracht op interne constructies om in spleten en contactvlakken door te dringen. Ze worden vaak aangebracht door middel van hogedrukspray of verneveling om volledige bedekking te garanderen. Veiligheid: Deze verbindingen bevatten oplosmiddelen; adequate ademhalingsbescherming en ventilatie zijn verplicht tijdens het aanbrengen.
2.7 Motorhardware (zuigermotoren)- **Carterontluchting:** Laat de interne druk ontsnappen die ontstaat door blow-by-gassen, waardoor oliekeerringstoringen en olielekkage worden voorkomen.
Krukas-hoofdlagers: Meestal glijlagers (buslagers) gemaakt van een zachte metaallegering (bijv. loodbrons) die hoge radiale belastingen kunnen dragen en een groot contactoppervlak bieden.
Drijfstangbouten: Kritieke hogesterkte-stalen bouten. Ze moeten worden geïnspecteerd op scheuren met behulp van magnetisch-poederonderzoek.
Cilinderlopen: Diepe krassen in cilinderboringen zijn doorgaans buiten de reparatiegrenzen. De enige acceptabele actie volgens de AMM is vervanging van de cilinderloop.
Bougiedraden: In aluminium koppen worden beschadigde bougiedraden vaak gerepareerd met draadinzetstukken (Heli-Coil) zoals goedgekeurd in de AMM.
2.8 Bedieningskabels
Constructie: Meestal 7x7 (7 strengen van 7 draden) of 7x19 (7 strengen van 19 draden) staalkabel.
Inspectiecriteria:
Gebroken draden: Voor 7x19-kabels gelden typische criteria van maximaal 5 gebroken draden in één slaglengte, of 10 gebroken draden verspreid over de hele kabel, voordat vervanging vereist is. Voor 7x7-kabels liggen de limieten lager (respectievelijk 3 en 6). Elke gebroken draad in een kritieke bedieningskabel is een afkeurbaar defect.
Platte plekken: Duiden op slijtage door wrijving tegen een katrol of ander oppervlak, vaak als gevolg van een verkeerde uitlijning. De kabel moet worden vervangen en de oorzaak (uitlijning) moet worden gecorrigeerd.
Corrosie: Oppervlakteroest die kan worden verwijderd, is niet noodzakelijkerwijs afkeurbaar, maar gebroken draden zijn altijd een reden voor vervanging.
3. Belangrijke formules, voorschriften en procedures
Klinknagel-uitsteeklengte: Voor een klinknagel met universele kop is de uitsteeklengte = 1,5 × klinknageldiameter.
Minimale buigradius voor aluminium buizen: Meestal 3 × buisdiameter.
ISO-eigenschapsklasse (bijv. 8.8): Treksterkte (MPa) = eerste cijfer × 100; vloeigrens (MPa) = treksterkte × tweede cijfer.
Regelgevingskader:
Verordening (EU) nr. 1321/2014, bijlage III (Part-66): Regelt de certificering van onderhoudspersoneel.
Bijlage I: Definieert het basissyllabus voor kennis, inclusief Module 6.
Aanvaardbare wijzen van naleving (AMC) en richtsnoeren (GM): Bieden aanvaardbare methoden om naleving van de verordening aan te tonen.
AC 43.13-1B (Aanvaardbare methoden, technieken en praktijken): Algemeen aanvaard als aanvaardbare gegevens voor standaardpraktijken, inclusief kabelinspectiecriteria.
Belangrijke procedures:
Corrosieverwijdering: Mechanische verwijdering -> diepte beoordelen -> uitsmeren (indien binnen grenzen) -> beschermende afwerking opnieuw aanbrengen.
Aanhaalmomentcontrole: Als een bout draait zonder dat het aanhaalmoment toeneemt, zijn de schroefdraden gestript. Bout verwijderen, inwendige schroefdraden inspecteren en indien nodig repareren met een draadinzetstuk.
4. Veelvoorkomende relaties tussen concepten- **Materiaaleigenschappen en toepassing:** De vervormbaarheid van 2117-T4 klinknagels is de reden waarom ze worden gebruikt voor het klinken. De hoge temperatuurbestendigheid van nikkel-chroomlegeringen is de reden waarom ze worden gebruikt voor uitlaatspruitstukken. De lagereigenschappen van brons zijn de reden waarom het wordt gebruikt voor tandwielen.
Corrosie en materiaalkeuze: Het sterk anodische karakter van magnesium vereist dat het wordt geïsoleerd van ongelijksoortige metalen om galvanische corrosie te voorkomen. Cadmiumplating op staal biedt opofferingsbescherming, maar is ongeschikt voor gebieden met hoge temperaturen vanwege LME.
Bevestigingsmiddelen, passing en toepassing: Een nauwpassende (klasse 5) bout wordt gebruikt waar nauwkeurige uitlijning nodig is, terwijl een ruimpassende (klasse 3) bout voor algemeen gebruik is. Een schuifpen is specifiek ontworpen voor uitsluitend schuifbelastingen.
Niet-destructief onderzoek en materiaal: Magnetisch poederonderzoek is uitsluitend voor ferromagnetische materialen (staal). Penetrantonderzoek is voor oppervlaktescheuren in niet-poreuze materialen. Wervelstroomonderzoek is voor geleidende materialen.
Slangconditie en bruikbaarheid: Haarscheurtjes in de buitenmantel, geschaafde vlecht of een lekkende knelfitting leiden allemaal tot dezelfde conclusie: de slangassemblage moet worden vervangen. Reparatie in het veld is niet toegestaan.
Kabelschade en vervanging: Gebroken draden, platte plekken en knikken maken vervanging van de kabel noodzakelijk. De oorzaak van de schade (bijv. verkeerd uitgelijnde katrol) moet ook worden gecorrigeerd.
5. Typische examen-aandachtspunten
Corrosie: Het identificeren van het type corrosie aan de hand van een beschrijving (bijv. wit poeder op aluminium = oppervlaktecorrosie; onder een pakking = spleetcorrosie). Ken de juiste eerste actie (bijv. corrosie verwijderen, diepte beoordelen).
Materiaaleigenschappen: Definities van vervormbaarheid, taaiheid, hardheid en elasticiteit. Weet welk materiaal ferromagnetisch versus niet-ferromagnetisch is.
Bevestigingsmiddelen: Het verschil tussen klasse 3- en klasse 5-passingen. Het doel van zelfborgende moeren en hoe hun heersende aanhaalmoment te controleren. De juiste actie als een bout tijdens het aandraaien meedraait (beschadigd schroefdraad). Het gebruik van splitpennen en borgringen. De juiste berekening van de klinknagellengte.
Leidingen en slangen: De minimale buigradius voor leidingen. De juiste actie bij een geschaafde slang (vervangen). De primaire reden voor het respecteren van de buigradius (bescherming van de fitting). De juiste actie bij een lekkende B-moer (ring vervangen/opnieuw omflensen).
Niet-destructief onderzoek: Welke methode wordt gebruikt voor welk materiaal en defecttype (bijv. MPI voor stalen bouten, DPI voor oppervlaktescheuren). De juiste volgorde van stappen bij DPI, vooral de droogstap vóór het aanbrengen van de ontwikkelaar.
Bedieningskabels: Het maximale aantal gebroken draden dat is toegestaan in een 7x19-kabel (5 in één slag, 10 verdeeld). De actie bij een platte plek (kabel vervangen en oorzaak corrigeren).
Warmtebehandeling: De conditie van 2117-T4 klinknagels en waarom ze snel moeten worden geslagen. Het proces om een 2024-T4-temperatuur te herstellen na oververhitting.
Veiligheid: De primaire veiligheidsmaatregel bij het aanbrengen van corrosiewerende middelen (adembescherming). Het gevaar van het gebruik van cadmiumgeplateerde bevestigingsmiddelen in gebieden met hoge temperaturen (LME).